
|
Het meisje probeerde aan voorbijgangers
zwavelstokjes te verkopen.
Maar de mensen liepen snel door naar hun huizen.
Daar was het warm en gezellig. |
|
Niemand wilde haar zwavelstokjes kopen. Het meisje had het zo koud. Ze wilde naar huis! Maar dat durfde ze niet, nu ze nog geen geld verdiend had. Om warmer te worden, streek ze met bijna bevroren handjes wat zwavelstokjes af. |

Naast een groot huis stond ze stil.
Toen ze nog meer zwavelstokjes afstreek, zag ze
dat de muur op de plek van het schijnsel, doorzichtig werd.
Ze kon nu in de kamer kijken.
Daar zat een familie aan een prachtig gedekte tafel.
|
zwavelstokjes af.
Nu zag ze een familie rond een reusachtige kerstboom.
En onder de kerstboom lagen allemaal cadeautjes.
|
|
Het leek wel of zij de enige was die het koud had. Alle mensen om haar heen hadden het warm en zaten gezellig bij hun familie. Het meisje keek wanhopig omhoog, naar de hemel. Ze was op zoek naar haar oma. |

Toen ze weer een zwavelstokje afstreek, stond daar ineens haar oma. Heel duidelijk, stralend, vriendelijk en lief.

Het meisje streek nog meer stokjes af.
Ze wilde haar oma blijven zien die er zo mooi en lief uit zag!
En toen nam oma het meisje op haar armen.
Wat later vonden mensen het doodgevroren meisje.